Aan de ontbijttafel met Olivier Dunrea

Door Julie Danielson (sevenimpossiblethings.org) –
vertaald uit het Amerikaans door Margot Reesink

 

Er zijn een paar kinderboeken waar ik als ouder een warm plekje voor in mijn hart heb, boeken die ik associeer met de peuterjaren van mijn dochters. De kinderboeken van Olivier Dunrea horen daar zeker bij, en dan vooral zijn boekjes voor heel jonge kinderen over Gonnie & vriendjes. De Gonnie-boekjes zijn intussen in meer dan vijfentwintig talen vertaald en zijn over de hele wereld bestsellers.

 

Mijn kinderen waren dol op de verhalen en ik heb ze altijd graag voorgelezen. Het eerste Gonnie-boekje verscheen in 2002. De reeks is nu bijna afgesloten. ‘Dan hebben we een troep van dertien heel verschillende en pittige gansjes,’ zegt Olivier. Hij maakt al sinds 1982 kinderboeken en staat hier op de foto met hond Gabe. In zijn kleine vierkante boekjes staan lieve, maar nooit zoete verhaaltjes, die eenvoudig zijn en tegelijkertijd heerlijk onconventioneel.

 

‘De verhalen van Dunrea zijn eenvoudig gemaakt en getekend,’ aldus het Amerikaanse literaire tijdschrift Kirkus. ‘De illustraties, in inkt en waterverf, weten de bijzondere en fantasierijke charme van de verhaaltjes goed vast te leggen. Door de heldere kleuren tegen de spierwitte achtergrond zijn die enkele trefzekere vegen toch vol expressie.’

 

En dat is precies waar het voor mij om gaat: de verhaaltjes zijn heel eenvoudig en haken perfect in op de humor en de pit van peuters. Alles is zo lichtvoetig en schijnbaar moeiteloos neergezet – al gaat er natuurlijk veel werk in zitten. Jonge kinderen voelen zich direct aangesproken door de onopgesmukte stijl, de heldere primaire kleuren, de trefzekere lijnen en de innemende, grappige verhalen. ‘Het platteland waar Gonnie woont is veilig, op kindergrootte, en duidelijk begrensd,’ aldus School Library Journal. Het werk van Dunrea in deze boekjes zou verplicht studiemateriaal moeten zijn voor illustratoren die een succesvol boek voor peuters willen maken. Of, zoals Publisher’s Weekly het onder woorden bracht: ‘Met de piepkleine helden die langzamerhand onafhankelijk worden blijkt uit deze verhalen eens te meer hoe goed hun bedenker zijn publiek kent.’

Dunrea schrijft geen boeken voor kinderen, maar voor zichzelf: ‘Kinderen vinden het toevallig net zo mooi als ik.’ Hij zegt dat zijn prentenboeken eigenlijk de volksverhalen of sprookjes zijn uit z’n grotere mythologische werk, The Lay of Moel Eyris. Daarover, en over zijn liefde voor mythologie en fantasy, later meer.

 

Olivier heeft ook werk van andere auteurs geïllustreerd en naast Gonnie & vriendjes nog andere prentenboeken uitgebracht. Hieronder meer over zijn gehele oeuvre.

 

Ik ben blij dat hij vanochtend met me wilde ontbijten. Hij eet nooit veel ’s ochtends, maar hij heeft wel zin in koffie, grapefruitsap en een bagel met boter. Dat red ik wel. Ik zet cyberkoffie terwijl ik de tafel dek.We beginnen maar eens bij het begin.

 

Daar gaan we.

 

***************

Jules: Ben je een illustrator of een auteur/illustrator?
Olivier: Ik ben schrijver én illustrator. Ik heb altijd een hekel gehad aan het woord ‘auteur’. Ik ‘aut’ niets, maar ik schrijf een heleboel.

Ik ben een schrijver die ook illustreert, geen illustrator die ook schrijft. Ik schrijf redelijk gemakkelijk en snel, maar illustreren kost me enorm veel moeite. Het is nooit helemaal naar mijn zin. Ik heb geen goed gevoel voor kleur, daarom gebruik ik ook altijd zachte kleuren in mijn boeken. Mijn kleurenpalet bestaat voornamelijk uit bruin- en grijstinten, met hier en daar  wat rood. Ik laat mijn verhalen zich het liefst in de winter afspelen. Ik hou van de aardetinten van de herfst en van de winter.

 

Jules: Met welk materiaal werk je meestal, of waar werk je het liefst mee?
Olivier: Ik werk het liefst met potlood en plakkaatverf of inkt en plakkaatverf. Als The Lay of Moel Eyris: The Saga of The Bear’s Son uitkomt, zul je zien dat ik daar met inkt heb gewerkt, in zwart-wit. The Lay of Moel Eyris is een mythologisch heldenepos van vijf delen. Er komt nog een gedetailleerde kaart in kleur bij. Boek één heet The Secret Book of Moolstery, boek twee The Secret of the Mool Dykes, boek drie The Secret of Morag’s Too’er, boek vierThe Secret of the Myvyrrian Map en boek vijf The Secret of the Dragon Eggs.

 

Jules: Je hebt boeken geïllustreerd voor kinderen uit verschillende leeftijdsgroepen, van prentenboeken tot boeken voor beginnende lezers. Ga je voor elke groep weer anders te werk?
Olivier: Ik schrijf en illustreer inderdaad voor kinderen van verschillende leeftijden, maar ik pas mijn stijl niet echt aan. Kijk bijvoorbeeld maar naar Hanne’s Quest, een leesboek.

 

Jules: Waar woon je?
Olivier: Ik woon, samen met mijn echtgenoot John Riffey (fotograaf en filmer) in een klein, afgelegen stadje in de bergen. Narrowsburg heet het, en het ligt ten noordwesten van New York. Als ik per dag vijf tot tien auto’s zie, is het veel. 

 

Jules: Hoe ging dat, een uitgever zoeken voor je eerste boek?
Olivier: In 1982 ben ik met mijn portfolio naar New York gegaan. Daar kreeg ik van vier uitgeverijen niet minder dan zeven contracten aangeboden. Ik ben een van die geluksvogels onder de schrijvers en illustratoren – ik schrijf en illustreer al sinds ik volwassen ben.

 

Jules: Waar kunnen je lezers meer over je te weten komen?
Olivier: Op mijn website en blog, www.olivierdunrea.com. Maar ik kom er nooit aan toe om de site bij te houden...

 

Jules: Ga je ook op bezoek bij scholen? Vertel daar eens wat over.
Olivier: Van 1980 tot 1995 ben ik in het kader van een Amerikaans overheidsprogramma bij scholen op bezoek geweest, maar ik ben nu al een tijd niet meer in het openbaar verschenen. Veel mensen vinden me een teruggetrokken, ongrijpbare figuur.

 

Jules: Ben je momenteel bezig met nieuwe titels of projecten waarover je ons al iets kunt vertellen?
Olivier: De serie rond Gonnie en haar vriendjes is bijna klaar. Dan hebben we een troep van dertien gansjes: Gonnie, Gijsje, Ollie, Eddie, Bo, Teun, Jasper, Jip, Gemma*, Gus*, Gabby*, Gabe* en Pearl*.
*Engelse namen; deze moeten nog in het Nederlands verschijnen.

De karakters van de gansjes zijn gebaseerd op die van onze honden. Ze hebben allemaal een verschillend karakter, van extravert tot heel verlegen en stil.

Als alle dertien gansjes aan de lezers zijn voorgesteld, gaat de reeks verder met nieuwe avonturen, waar steeds verschillende gansjes in voorkomen. Zo krijgen we Pearl’s Lost Pearls; Gossie’s Farm; Gus, Go to Sleep!; Peedie & Pete; Goslings in the Barn; The Great Eggscape, enzovoorts.

 

Momenteel ben ik twee korte verhalen tot scripts aan het bewerken. (Het ene verhaal is de proloog bij mijn mythologische heldensaga The Lay of Moel Eyris. Je kunt de proloog, mét annotaties, lezen op mijn website.) Een agent uit Hollywood heeft gevraagd of ik wilde proberen het om te werken tot een script. De afgelopen twaalf jaar heeft Hollywood al vaak interesse getoond in mijn werk.

Eind april moet ik nog vijf Gonnie & vriendjes-verhalen klaar hebben, en dan ben ik vrij! Ik blijf nog wel even bezig met alle lopende contracten voor prentenboeken én ik ga me meer bezighouden met mijn ambitieuzere en serieuzere schrijfproject The Lay of Moel Eyris: The Saga os The Bear’s Son. In september wil ik het definitieve manuscript van deel 1 klaar hebben. Verder ligt het script voor Islands on the Edge (ook wel The Kidnapping of the Boy with Red Hair) er nog.

Mijn uitgevers gaan ook boeken publiceren die ik heb geschreven, maar waar ik geen illustraties bij maak. Schrijven gaat me zo veel makkelijker af dan illustreren!

 

Goed, de koffie is klaar en we gaan beginnen met ‘zes vragen bij het ontbijt’.

 

1. Jules: Hoe ga je te werk als je een boek illustreert? Waar haal je bijvoorbeeld je ideeën vandaan? Vind je het moeilijk om met een deadline te werken? En maak je eerst een uitgebreide schets of begin je gewoon en zie je wel waar je uitkomt?Olivier: Dat is altijd een moeilijke vraag, omdat ik meestal tegelijkertijd aan verschillende dingen werk.

Over het algemeen gaat het op een van deze twee manieren: ik krijg een idee voor een verhaal, schrijf het op en begin dan de personages te tekenen. Maar het kan ook gebeuren dat ik begin met een of meer personages. Daar maak ik dan een schets van en dan bedenk ik daar een verhaal omheen.

Voor ieder boek maak ik een uitgebreide kaart van de boerderij, compleet met de gebouwen, hutjes en de hele omgeving. Met een gedetailleerde luchtkaart en een kaart uit middeleeuws perspectief van Gonnies boerderij weet ik precies waar alle gebouwen van de boerderij staan in relatie tot de vijver, het pompoenenakkertje, de vogelverschrikker, de hooibergen, de kreek, enzovoorts.

 

Vaak maak ik uitgebreide plattegronden, detailoverzichten en gevelaanzichten van de gebouwen die in een boek voorkomen. Zo weet ik precies hoe ik de hoofdpersonen in hun directe omgeving en geografische locatie moet laten bewegen.

Ik maak geen opzet voor een verhaal voordat ik ga zitten schrijven. Ik begin gewoon bij het begin, hou mijn kaarten bij de hand en dan laat ik het verhaal zichzelf vertellen op een spontane, natuurlijke manier. Mijn redacteuren en ik hoeven er ook weinig aan te corrigeren. Omdat ik mijn personages nu zo goed heb leren kennen, hoeven we er alleen wat kleine dingetjes aan te veranderen.

Ik werk ook met drie van de beste redacteuren uit de uitgeverswereld. Zij kennen mijn wereld en mijn hoofdpersonen net zo goed als ik.

Als ik de hoofdpersoon voor een boek aan het opzetten ben, werk ik op vellum of overtrekpapier, net als de animator van een tekenfilm. Op die manier kan ik snel en makkelijk een houding veranderen terwijl het personage gelijk blijft.

Daarna kopieer ik de schetsen en begin ik aan de definitieve tekeningen voor het boek.

2. Jules: Beschrijf je werkruimte eens.
Olivier: Mijn atelier in Henwoodie, ten noordwesten van New York, is een ruimte vol licht, naast onze slaapkamer. Ik heb aan drie kanten ramen. Er komen zeearenden voorbij vliegen terwijl ik zit te werken.

Ik heb nog een tweede atelier in ons huis in Dearborn (Michigan), dat Torwoodie heet. Dat is groter en ik heb er meer ruimte om dingen uit te stallen. Verder heb ik in Henwoodie nog een speciaal ‘schrijfkantoor’. Dat is precies groot genoeg voor het handgemaakte bureau dat ik van mijn beste vriend heb geërfd toen hij stierf. Die kamer heeft twee flinke ramen en het bureau heeft meer plankjes, deurtjes en vakjes dan je kunt bedenken. Daar bewaar ik al mijn naslagwerken en woordenboeken die ik gebruik bij het schrijven.

Ik heb twee printers, die hun eigen e-mailadres hebben. Ik kan dus manuscripten van Michigan naar New York mailen of vice versa. Ik vind het geweldige dingen, die printers. Je kunt er ook mee fotokopiëren, verkleinen en vergroten – en nog een heleboel andere dingen die ik nog niet eens heb uitgeprobeerd.

 

3. Jules: Als boekenliefhebber ben ik benieuwd naar de boeken, auteurs en/of illustratoren die jou hebben beïnvloed.

Olivier: Ik bestudeer voornamelijk middeleeuwse kunst en kunstenaars, vooral de zestiende-eeuwse Vlaamse schilders. Maar Beatrix Potter, Howard Pyle, Edward Gorey, Graham Oakley, A. B. Frost, Lisbeth Zwerger enz. hebben me sterk beïnvloed, en schilders als Edward Hopper.

De schrijvers van wie ik het meest onder de indruk was en die me het meest hebben beïnvloed, zijn Gertrude Stein, J.R.R. Tolkien en dergelijke.

 

4. Jules: Als je met drie nog levende auteurs of illustratoren, die je nog niet kent, een kop koffie of een glas rode wijn zou kunnen drinken, wie zou je dan kiezen?

Olivier: Dan zou ik graag George R.R. Martin, Lisbeth Zwerger en Jill Barklem willen ontmoeten.

5. Jules: Wat heb je momenteel op je iPod of in je cd-speler? En luister je naar muziek terwijl je aan het werk bent?

Olivier: Ik heb niet zo veel muziek op mijn iPod of mijn iPhone staan. Ik luister eigenlijk jarenlang steeds weer naar dezelfde vierentwintig liedjes. Ik heb vooral heel verstilde Schotse en Ierse middeleeuwse balladen. En Adele natuurlijk.

6. Jules: Wat weten de meeste mensen niet van je?

Olivier: De meeste mensen weten niet dat op 4 oktober 2006 bleek dat ik darmkanker had. Daarna heb ik twaalf weken afgrijselijke chemokuren en bestralingen ondergaan. Het was een interessante ervaring.

Nadat ik te horen had gekregen dat ik misschien nog maar zes maanden te leven had, besloot ik dat ik geen tijd meer wilde verspillen aan mensen en projecten die me niet interesseren. Ik ben nu schoon, maar ik krijg nog geregeld bloedonderzoeken en darmonderzoeken. Iedereen die ouder is dan 45 zou ik willen aanraden om een darmonderzoek te laten doen. Als het snel wordt opgespoord, kan de juiste behandeling je leven redden.

 

***Tien korte vragen tot slot***

 

Jules: Wat is je lievelingswoord?

Olivier: Geweldig!

Jules: Wat is je minst favoriete woord?

Olivier: ‘Like’, in zinnen als ‘Like, you know what I mean, like, I wasn’t even there, like...’

Jules: Wat inspireert je – creatief, spiritueel of emotioneel?

Olivier: Mijn lievelingspassages uit mijn lievelingsboeken. Je zou kunnen zeggen dat ik verslaafd ben aan woorden. Ik herlees mijn favoriete hoofdstukken, boeken of soms alleen maar een alinea om mezelf tot rust te brengen. Het werk van Gertrude Stein is mijn maatstaf, moet ik toegeven: ‘Laat me naar mezelf luisteren en niet naar hen.’

Jules: En waar knap je op af?

Olivier: Zwerfvuil, wreedheid tegen dieren of kleine kinderen, plastic tasjes en fracken!

Jules: Wat is je favoriete vloekwoord?

Olivier: Rats! (Jakkes!)

Jules: Wat vind je een mooi geluid?

Olivier: Ik hou erg van het geluid van boomkikkers in de lente.

Jules: En aan welk geluid heb je een hekel?

Olivier: Ik heb een hekel aan alle luide, mechanische geluiden: terreinwagens, vrachtwagens, motorboten op een stil meer en dat soort dingen.

Jules: Als je een ander beroep zou kunnen uitproberen, wat zou je dan kiezen?

Olivier: Archeoloog.

Jules: Als de hemel bestaat, wat hoop je dan dat God tegen je zegt als je bij de hemelpoort aankomt?

Olivier: Wat religie betreft ben ik een proto-keltische animist. Ik geloof niet echt in de hemel of de hel. Ik geloof wel dat we hier op aarde verblijven tot we opnieuw worden geboren in een andere vorm, in een ander leven. En ik geloof helemaal dat we alles uit het leven moeten halen wat erin zit.

 

 

****************************