De schatrijke Haarlemse zijdehandelaar en bankier Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) bepaalde in 1756 in zijn testament dat zijn nalatenschap moest worden besteed aan de bevordering van kunst, natuurwetenschappen en theologie, naast een aantal liefdadige doelen. Zijn geld werd en wordt beheerd door een stichting, waarvan de directeuren een museum lieten bouwen voor de huisvesting van de kunstcollectie en de paleontologische en mineralogische verzamelingen, en daarnaast prijsvragen uitschreven op natuurwetenschappelijk en theologisch terrein. Het in 1784 geopende en nog steeds bestaande Teylers Museum is het eerste openbare museum in Nederland (volgens Boudewijn Büch het mooiste museum ter wereld).

In De idealen van Pieter Teyler worden Teylers leven en drijfveren besproken: de wijze waarop hij zijn kapitaal opbouwde, zijn belangstelling voor kunst en numismatiek, zijn doopsgezinde achtergrond en de uitvoering van zijn testament dat in 250 jaar niet onaangevochten bleef. Het boek bevat een aantal bijlagen, onder meer de tekst van zijn testament, de boedelinventaris van zijn sterfhuis en een catalogus van zijn verzameling munten en penningen. Geïllustreerd met vele kleurenafbeeldingen. Het boek brengt op boeiende wijze een aspect van de Nederlandse Verlichting over het voetlicht.